Toelichting beleidskeuze

Toelichting beleidskeuze 3: landbouw

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijke gebied

Er wordt een duurzaam en vitaal landbouw- en voedselsysteem mogelijk gemaakt, gebaseerd op kringlopen en natuurinclusiviteit.

Landbouw en natuur kunnen elkaar versterken. De relatie tussen landbouw, landschap en natuur moet sterker en organischer worden dan zij nu is. De visie “Landbouw, Natuur en Voedsel: Waardevol en verbonden” [1] van de minister van Landbouw, Natuur en Visserij geeft de koers aan: kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw zijn daarvoor nodig.

Kringlooplandbouw
Bij kringlooplandbouw is het de grote uitdaging om binnen de totale keten een verdienmodel voor gezond en duurzaam voedsel te creëren op basis van kringlopen, duurzaam bodembeheer met een evenwichtige verdeling van marges en risico’s. Reststromen (gewasresten, voedselresten, procesafval, mest, compost) worden zoveel mogelijk benut als grondstof voor de landbouwproductie. Op deze wijze gaan zo min mogelijk grondstoffen verloren en neemt de afhankelijkheid van internationale import af, alsook de daaraan gekoppelde milieudruk op natuur en biodiversiteit elders in de wereld. De inzet van het kabinet is dat kringlopen van grondstoffen en hulpbronnen in 2030 op een zo laag mogelijk schaalniveau zijn gesloten. Met de innovatiekracht van de land- en tuinbouwsector kan Nederland koploper worden op het gebied van kringlooplandbouw. Boeren zullen steeds innovatiever en meer technologisch te werk gaan, bijvoorbeeld via precisielandbouw, robotisering, boslandbouw en meer diverse en roterende gewassen. Daarmee wordt bijgedragen aan het behoud van een goed functionerende bodem. Daarnaast zullen boeren voor een rendabele bedrijfsvoering ook steeds vaker functies als landbouw, energiewinning, natuur en recreatie met elkaar combineren op hun land. Zo is de glastuinbouw al hard op weg om circulair en emissieloos te worden, en met nieuwe innovaties, in de toekomst zelfs energieleverend te worden.

De inzet op natuurinclusieve landbouw en kringlooplandbouw betekent op het schaalniveau van het boerenbedrijf dat de grondgebondenheid wordt versterkt. Het mestbeleid is daarin een belangrijke schakel, maar dit is omgeven met complexe regelgeving. Daarom wordt bekeken of we het beleid kunnen herzien, met het streven om een robuust mestbeleid te ontwikkelen.

Landbouw- en natuurgebied
Bij natuurinclusieve landbouw ligt het accent op het verbeteren van de natuur via de landbouw en deze in te zetten voor de landbouw. Daarbij hoort een gebruik van de bodem dat zo veel mogelijk aansluit bij de natuurlijke karakteristieken ervan. De processen die daarbij horen leiden tot duurzame benutting en vergroting van mineralen en organisch materiaal in de bodem. Dat is nauw verwant aan kringlooplandbouw. Het beperken van verliezen en hergebruik van reststromen draagt ook bij aan verbetering van de bodemkwaliteit, onder meer door minder bodembewerking en uitgekiende toepassing van organische mest. De combinatie van de twee werkwijzen beperkt afwenteling op de omgeving, leidt tot een sterkere biodiversiteit en draagt bij aan een veelvoud aan belangen als klimaatverandering, mitigatie, milieu en landschap. Het gaat om een systeemverandering, waarvan nadrukkelijk niet alleen boeren maar allerlei andere actoren in het landelijk gebied in Nederland maar ook internationaal deel uitmaken.

Verschillende ruimteclaims
Terwijl er de afgelopen jaren meer natuur is bijgekomen (conform het Natuurpact [2]), is er de afgelopen decennia veel landbouwgrond ten koste gegaan van andere ontwikkelingen. In de toekomst blijft de druk op landbouwgrond hoog. Energietransitie, verstedelijking en natuur leggen onverminderd claims op landbouwgrond. Bij gebrek aan zicht op een goed verdienmodel en onzekerheid over een stabiele inkomstenbron bij boeren, wordt de druk op het landbouwareaal groter. Agrariërs stoppen of dreigen te stoppen en land te verkopen of kunnen soms veel meer verdienen aan hun grond met bijvoorbeeld een zonnepark. Dit terwijl steeds meer agrarische gebouwen vaak leeg blijven staan. Er is sprake van een toename van 30 mln. m2 leegstaande schuren tot 2030 [3]. Naar verwachting kan iets minder dan de helft een nieuwe functie vinden. Zo ontstaat een groter risico op verrommeling in het landschap. Er dreigt potentieel natuurlijk kapitaal verloren te gaan, aangezien het landbouwareaal (als onderdeel van het landelijk gebied) na een duurzaamheidstransitie aanzienlijk meer ecosysteemdiensten levert op het gebied van waterberging, zoet- en drinkwatervoorziening, bestuiving, klimaatadaptatie, bodemvruchtbaarheid, biodiversiteit, preventie van ziekten en plagen, et cetera. Vanuit dat perspectief is het van belang om functieverlies van natuur, water én landbouw te beperken ten koste van andere ruimteclaims. Dit maakt het extra belangrijk om te zoeken naar de optimale benutting van ruimte en zoveel mogelijk het bestaande grondgebruik te mengen met andere functies die daarmee samen kunnen gaan (bijvoorbeeld landbouw met bos of windenergie, en plaatsing van zonnepanelen vooral op daken).

Indeling van het landelijk gebied
Waar nu abrupte overgangen zijn tussen intensieve vormen van landbouw en veeteelt met een hoge milieubelasting aan de ene kant tegenover kwetsbare gebieden aan de andere kant, is het van belang om meer geleidelijke overgangen in het landelijk gebied aan te brengen. Juist hier is de impact van een duurzaamheidstransitie van de landbouw groot.

Rondom natuurgebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, kwetsbare gebieden zoals verziltings-en verdrogingsgevoelige gebieden (hoge zandgronden) is de overgang naar kringlooplandbouw het meest urgent. Voor de versterking van de relatie tussen landbouw en natuur is het van belang dat in randgebieden rondom Natura2000 gebieden aandacht is voor de mogelijkheid om met agrarisch natuurbeheer en natuurinclusieve landbouw een bijdrage te leveren aan de klimaatopgave en natuurherstel. Ook rondom dichtbevolkte gebieden heeft landbouw met een lage milieubelasting de voorkeur (met een multifunctioneel en urbaan/recreatief karakter). Daar is de grootste gezondheidswinst te behalen. Zo liggen ruim 350.000 woningen binnen 250 meter van een veehouderij. In overgangsgebieden tussen stad en land zijn veel mogelijkheden om landschappelijke kwaliteiten te versterken en liggen veel kansen voor functiemenging en nieuwe verdienmodellen voor de landbouw op het gebied van onder meer recreatie, energievoorziening en natuurbeheer.

Gebiedsprocessen waarin de vier overheden samenwerken zijn cruciaal om de hierboven beschreven ontwikkeling op gang te brengen en samen met bedrijven en bewoners te komen tot een optimale inrichting van het landelijk gebied. Het rijk kan in dit proces een rol spelen ten aanzien van kennis en middelen, bijvoorbeeld met behulp van Regiodeals. In het kader van het programma IBP Vitaal platteland worden vanuit een samenwerkende rol tussen de vier overheden partijen op regionaal en lokaal niveau samengebracht. Alleen op deze manier is het mogelijk om het beleid en het instrumentarium van de vier overheden enerzijds, en gezien de gebiedsspecifieke kenmerken benodigde lokale maatoplossingen anderzijds, goed met elkaar in overeenstemming te laten zijn. Ook kan door deze werkwijze op maat samenhangend vorm gegeven worden aan de grote opgaven die het landelijk gebied de komende decennia raken: landbouw, klimaat, waterveiligheid, circulaire economie, biodiversiteit en energie.

Keer terug naar de hoofdtekst


[1] Rijksoverheid, Subsidieregeling sanering varkenshouderij, zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/veehouderij/duurzame-varkenshouderij/subsidieregeling-sanering-varkenshouderij
[2] Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Natuurverkenning 2010-2040, zie https://themasites.pbl.nl/natuurverkenning/
[3] Wageningen Environmental Research, Reflectie op de uitkomsten enquête Agrarische leegstand 2018, Wageningen 2018, zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/03/11/rapport-reflectie-op-de-uitkomsten-enquete-agrarische-leegstand