Sterke en gezonde steden en regio's

[main-choices]



Met alle verschillen in dynamiek en opgaven willen we dat onze steden en regio’s optimaal bijdragen aan de kracht van Nederland als geheel én een gezonde en klimaatbestendige omgeving bieden aan iedereen die er woont, werkt en verblijft. Grote opgaven die zodanig in elkaar grijpen dat een meer geïntegreerde benadering noodzakelijk is. 

Beleidskeuze 1: quality of life 

Steden ontwikkelen zich duurzaam door een samenhangende aanpak van wonen, werken, mobiliteit, gezondheid en leefomgevingskwaliteit. 

Quality of life voorop
Driekwart van de Nederlandse bevolking woont, werkt en leeft in stedelijk gebied en onze steden zijn belangrijk voor de economie. Het is essentieel dat onze steden gezond, aantrekkelijk, veilig en schoon zijn om in te wonen en te werken, dat er goede en betaalbare woningen beschikbaar zijn, en dat woon- en werklocaties bereikbaar zijn. De relatief beperkte omvang van de Nederlandse steden kan daarbij een voordeel zijn, ook om meer nabijheid tussen wonen en werken te realiseren. Natuur is altijd nabij, voorzieningen zijn in voldoende mate voor handen of op korte afstand te bereiken. Dit draagt bij aan de quality of life in de breedste zin van het woord. Er zijn mogelijkheden om meer mensen, bedrijven en activiteiten dan nu in de stad een plek te geven en daarbij tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit te verhogen en de gezondheid van mensen te bevorderen. Combineren van functies in onze steden is in het algemeen efficiënter en duurzamer, en past meestal goed bij de vraag en de behoeften van inwoners en gebruikers (van de stad). Maar natuurlijk niet zonder meer. De kwaliteit van de woon- en leef­omgeving voor de burgers moet omhoog. Milieu, versterking van biodiversiteit, en gezondheid vragen om concrete stappen vooruit. Daarnaast zal de bereikbaarheid gewaarborgd moeten worden. Dit alles vraagt om zorgvuldige en gebiedsgerichte inzet van veel partijen én een extra impuls.

Gezonde steden en regio’s
Het is belangrijk dat inwoners van steden en regio’s gezond kunnen wonen, werken en ontspannen. Dit vereist een goede leefom­gevingskwaliteit, op het gebied van bodem, water, lucht, geluid, geur en externe veiligheid, waarbij gezondheid altijd meegewogen wordt in ruimtelijke ingrepen. Mobiliteit en verplaatsingen spelen een belangrijke rol in het functioneren van de stad. Schoon ver­keer en een vervoerssysteem dat mensen aanzet tot bewegen, helpen de stad gezonder te maken. Vanuit dit oogpunt is een mobiliteitssysteem gewenst dat actieve vervoersvormen (fietsen en lopen) en OV-gebruik stimuleert. Daarnaast dient de openbare ruimte voldoende ruimte te bieden om te ont­span­­­nen, bewegen en spelen en de interactie tussen de stadsbewoners te stimu­leren.

De leefomgeving kan een belangrijke bijdrage leveren aan het verleiden tot een gezondere leefstijl (bewegen, ontspannen, rookvrije gebieden en een gezond voedingsaanbod) en het vergroten van het gezondheidspotentieel van kwetsbare groepen (in het bijzonder ouderen en mensen met een lage sociaaleconomische status). Gezondheidsbevordering via de leefomgeving wordt dan ook met voorrang toegepast in wijken en buurten met gezondheids­achterstanden. Dit vraagt om een sterkere wederkerige samenwerking tussen het ruimtelijk domein en het sociale gezondheidsdomein.

Groen en water in en rond de stad
De aanwezigheid van groen en water in en rond de stad vormt een belangrijke factor voor de kwaliteit van het stedelijk leven en de aantrekkelijkheid van de stad. Het draagt bij aan de kwaliteit van het woonmilieu en de ontspanning van de stedeling en de mogelijkheden voor recreatie en gezond bewegen. Het speelt een belangrijke rol bij het tegengaan van en het opvangen van de gevolgen van klimaatverandering. Ook kan de sociale cohesie in wijken bevorderd worden door stads- en speeltuinen.

Daarom zetten de overheden extra in op het vergroenen van de steden en het toevoegen van water, het vergroten van de recreatieve mogelijkheden en zo mogelijk ook op de natuurwaarde van de stedelijke groene gebieden. Overheden in stedelijke regio’s zullen in overleg met bewoners plannen moeten maken om de versteende gebieden te vergroenen. Het combineren van een stedelijk beleid van compactheid en vergroening vormt een grote ontwerpopgave. De ontwikkeling van een stedelijk groenfonds waarin publiek en private financiële stromen worden gebundeld, kan de basis vormen voor een actieve en samenhangende aanpak van de versterking van het stedelijk groen.

Inwoners van steden kunnen gezond wonen, werken en ontspannen. Beeld: Buitenzwemmen aan het stadsstrand in Groningen. (Sikkom)

Cultureel erfgoed als drager voor aantrekkelijke steden en regio’s
Onroerend cultureel erfgoed (dat wil zeggen de gebouwde, archeologische en aangelegde monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) speelt een belangrijke rol in de fysieke leefomgeving, zowel in stad als in regio. Te denken valt aan beschermde stads- en dorpsgezichten die vaak de aantrekkelijkheid van dorpen en steden in belangrijke mate bepalen. En aan historische gebouwen, zoals kerken, of moderner erfgoed, zoals in onbruik geraakte fabrieken. Overheden benutten de mogelijkheden van erfgoed bij transformatieprojecten, als drager en inspiratiebron van stedelijke ontwikkeling. De afgelopen decennia is de omgang met erfgoed steeds nadrukkelijker gericht op behoud door ontwikkeling, met oog op de toegevoegde waarde voor de omgeving. Erfgoedbeheer gaat daardoor steeds meer over benutten in plaats van alleen beschermen. Erfgoed is de bron van het verhaal over de geschiedenis van Nederland en geeft daarmee duiding aan de identiteit van een plek. Door erfgoed te verbinden aan de maatschappelijke opgaven en als drager te zien voor de ontwikkeling kan het een belangrijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van de steden en regio’s. Hierbij is een belangrijke rol weggelegd voor de ontwerpdisciplines. Aanpassen en inspelen op de nieuwe transities, zoals klimaatadaptatie, energietransitie, duurzaamheid en stedelijke groei en krimp, zijn onvermijdelijk en soms ingrijpend, maar in zekere zin ook een constante in het licht van de geschiedenis.

Brede afweging op maat
Duurzame stedelijke ontwikkeling vraagt om ruimte en maatregelen voor wonen en werken, voor bereikbaarheid, klimaatadaptatie, duurzame energie, waterveiligheid, meer natuur en een gezonde leefomgeving (veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, bodem en een inrichting die verleidt tot gezond gedrag). En over dat alles heen vraagt het om een combinatie van bescherming en ontwikkeling van een stedelijke omgeving, die door de inwoners wordt ervaren als aantrekkelijk en waardevol. In gezonde steden wordt de leefomgeving zoveel mogelijk zó ingericht dat mensen er kunnen bewegen, spelen, sporten, ontmoeten en ontspannen. Door slim te combineren leidt toevoeging van nieuwe functies tot weinig extra ruimtebeslag.

Een geconcentreerde stedelijke ontwikkeling is de inzet. Dit moet ruimte en kwaliteit bieden voor wonen, leven en werken die de maatschappij nu en in de toekomst vraagt. En die econo­misch en ruimtelijk efficiënt is en onnodige verplaatsingskilometers voorkomt. Bij nieuwe gebieds­ontwikkelingen zijn er mogelijkheden om tot een duurzame invulling met een daarop afgestemd mobiliteitssysteem te komen. Maar ook in de bestaande stedelijke bebouwing kunnen belangrijke stappen voorwaarts worden gezet door selectief te verdichten, te vergroenen en door het mobiliteitssysteem te verduurzamen.

Toelichting beleidskeuze 1

Beleidskeuze 2: verstedelijkingsstrategie

Het Rijk hanteert een integrale verstedelijkingsstrategie.

Verstedelijking vraagt zorgvuldig en gebiedsgericht maatwerk vanuit een brede benadering. In lijn met de drie afwegingsprincipes moet integrale leefomgevingskwaliteit voorop staan als basis voor de te maken keuzes. Op basis daarvan kan een afweging plaatsvinden waarbij aan alle relevante ruimtelijk-fysieke opgaven zoveel mogelijk recht wordt gedaan. Er moet daarbij voor worden gezorgd dat er flexibel en snel kan worden ingespeeld op nieuwe wensen en ontwikkelingen in de samenleving.

De mogelijkheden van verstedelijking wisselen van plek tot plek. Voor elke regio verschillen de opgaven in grootte en karakter. In het ene gebied is de bereikbaarheidsproblematiek groot, in een andere vormen de milieukwaliteit, de algehele ruimtelijke aan­trekkelijkheid of het groen knelpunten. In weer een ander gebied is sprake van woningtekorten en grote pro­blemen op de woningmarkt of van krapte of overschotten aan winkels, kantoren en bedrijven­terreinen. Meestal spelen verschillende van deze opgaven tegelijkertijd en is het een uitdaging daarvoor voldoende locaties te vinden. Voor sommige locaties gelden overigens dermate grote risico’s en/of beperkingen dat bijvoorbeeld nieuwe woon- of verblijfsfuncties onwenselijk of onmogelijk zijn, dan wel (dure) aanpassingen vragen. Denk aan omgevingsveiligheid in relatie tot gevaarlijke activiteiten en transporten, maar ook aan gebieden met hoge natuur- en landschapswaarden of diepgelegen polders en hun lastige waterbeheer. In andere gebieden zijn er weinig beperkingen en is er veel ruimte voor nieuwe functies. De meeste locaties vallen echter niet in deze twee uiterste categorieën, maar vragen juist om integraal denken en handelen dat uitstijgt boven het belang vanuit een specifieke sector. Het vooraf maken van een integrale afweging en het tijdig en goed daarbij betrekken van burgers, ondernemers en andere belanghebbenden voorkomt dat in een later stadium blijkt dat in gang gezette planvorming en mogelijk gewenste ontwikkelingen alsnog onmogelijk of onwenselijk blijken.

Keuzes voor verstedelijking

Gezien de grote vraag naar ruimte en de beperkte beschikbaarheid daarvan in de stedelijke gebieden, is het verstandig voor elk stedelijk gebied uit te gaan van een gebiedsgerichte en integrale verstedelijkingsstrategie met daarin een aantal onderdelen:

I. Kwaliteitseisen van de omgeving
Maak een integraal beeld van de bestaande en verwachte leefomgevingskwaliteit (en de ruimtelijke en milieukwaliteitstekorten en de bijbehorende knelpunten) in en om de stad en bepaal de gebiedsgerichte ambities en eisen voor een goede leefomgevingskwaliteit in de breedste zin van het woord. Daartoe behoren in elk geval luchtkwaliteit, geluid, bodem, omgevingsveiligheid, cultureel erfgoed, natuur en biodiversiteit, klimaatbestendigheid, water(opvang) en landschappelijke kwaliteit.

II. Ruimtelijk-fysieke behoeften
Breng de vraag naar woningen, kantoren, bedrijventerreinen, logistieke functies, winkels, culturele en andere voorzieningen en de bereikbaarheidsvereisten voor die functies kwantitatief en kwalitatief in kaart, inclusief de specifieke knelpunten op deze terreinen.

III. Verstedelijkingsmogelijkheden
Besteed bij het inventariseren van mogelijkheden voor het accommoderen van die behoeften expliciet aandacht aan de relatie tussen de gewenste leefomgevingskwaliteit en de behoeften aan fysieke en milieuruimte. Geef hierbij ook aan welke eisen de aanpassing aan klimaatverandering (waaronder hittestress, wateropvang) en natuur en biodiversiteit stelt.

Voor de ontwikkeling van nieuwe verstedelijkingslocaties gelden als onderdeel van deze strategie vervolgens de volgende stappen:
A. Overheden bepalen gezamenlijk de gewenste woningvoorraad in de regio die nu en in de toekomst aansluit op de kwantitatieve en kwalitatieve (qua betaalbaarheid, woonmilieus en type woningen) woonbehoefte in de regio (voor zover passend binnen de provinciale en nationale behoefte). Dit geldt ook voor de gewenste ruimte voor bedrijventerreinen, kantoren en voorzieningen (zie beleidskeuze 2.7). De kaart ‘Woonbehoefte tot 2040’ geeft een beeld van de kwantitatieve woonbehoefte tot 2040.

B. De behoefte aan ruimte voor wonen, werken en voorzieningen wordt bij voorkeur geaccommodeerd binnen bestaand stedelijk gebied, door onderbenutte ruimte te ontwikkelen en verouderde (of in onbruik geraakte) gebieden te transformeren. Dit kan alleen binnen de kaders van de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit, geluid, geur en omgevingsveiligheid. Het streven is de verstedelijking aan te grijpen om de leefomgevingskwaliteiten verder te verhogen dan de wettelijke kaders minimaal vragen. Dit geldt niet alleen voor verbetering van de gezondheid (verbeteren luchtkwaliteit, terugdringen van geluidhinder, gezondheidsbevordering) maar ook voor klimaatadaptatie (wateropvang) en verbetering van de kwaliteit van (en toegang tot) stedelijk groen, natuur en landschap. In de kaart ‘Verstedelijking in relatie tot leefomgevingskwaliteit’ is een aantal elementen van leefomgevingskwaliteit en het verstedelijkt gebied rond OV-knooppunten (D) weergegeven, ter illustratie van de afwegingen die gemaakt moeten worden.

C. Waar dit niet mogelijk is, gelet op de onder B. genoemde kaders van wet- en regelgeving of de kwaliteit en aantrekkingskracht van de stad en stedelijke regio als geheel, komen verstedelijkingslocaties buiten bestaand stedelijk gebied in beeld. Voor de ontwikkeling van die locaties gelden dezelfde eisen als voor deze binnen bestaand stedelijk gebied. 

D. Zowel binnen als buiten bestaand stedelijk gebied wordt in eerste instantie gekozen voor locaties die het beste scoren uit een oogpunt van nabijheid en/of goede aansluiting op het (bestaande of door te ontwikkelen) (OV-)netwerk. De capaciteit van en aansluiting op het bestaande verkeers- en vervoersnetwerk speelt daarbij een grote rol, met extra aandacht voor aansluiting op het OV- en fietsnetwerk. Gebieden nabij en rondom OV-knooppunten worden optimaal benut als geconcentreerde woon- en werklocaties. De kaart ‘Bestaand stedelijk gebied en OV-knooppunten’ geeft inzicht het stedelijk gebied dat binnen fietsafstand van een OV-knooppunt ligt.

E. Bij de ontwikkeling van nieuwe verstedelijkingslocaties (zowel binnen als buiten bestaand stedelijk gebied) worden de mogelijkheden benut voor:
  • productie en gebruik van duurzame energie (aansluiting warmtenetten/benutten geothermie en restwarmte)
  • aanpassing aan klimaatverandering (tegengaan hittestress en voldoende wateropvang). Hierbij speelt vergroening een belangrijke rol
  • behoud en versterking van natuur- en cultuurwaarden in de leefomgeving (vergroting biodiversiteit, voldoende natuur en ontwikkeling cultureel erfgoed)
  • de bijdrage aan transformatie van verouderde gebieden 


Deze strategie is ook van toepassing daar wanneer groei in niet stedelijk gebied moet worden geaccommodeerd. In dat geval dient stedelijk gebied te worden gelezen als bestaand bebouwd gebied.   

Deze strategie wordt samen met onder meer de medeoverheden uitgewerkt in het programma Verstedelijking en Wonen, om te komen tot een afgestemde aanpak. In dit kader wordt ook bezien of en op welke wijze deze beleidslijn (of onderdelen daarvan) in een instructieregel moet worden opgenomen.

Vanwege de relatie met verschillende nationale belangen (waaronder die op het gebied van klimaat, milieu, duurzaamheid, leefomgevingskwaliteit, bereikbaarheid) en de rijksrol daarbij, doet ook het Rijk actief mee bij de integrale uitwerking van deze verstedelijkingsstrategie. In samenwerking met gemeenten, provincies, metropoolregio’s en andere relevante stakeholders worden, bijvoorbeeld via de gebiedsgerichte bereikbaarheidsprogramma’s van de metropoolregio’s Amsterdam (MRA), Rotterdam-Den Haag (MRDH) en Utrecht (MRU), nadere keuzes over en de mogelijke gebiedsontwikkelingen gemaakt.

Zoekgebieden voor grootschalige ontwikkellocaties binnen de meest gespannen woningmarktregio’s zijn:

  • Metropoolregio Amsterdam (MRA): de acht regionale ‘sleutelgebieden’ die de MRA heeft vastgesteld, waaronder Havenstad en Almere (waarbij de locatie Kronenburg nog nadere besluitvorming vraagt)
  • Metropoolregio Utrecht (MRU): Merwedekanaalzone, Utrecht Science Park/Rijnsweerd, en A12-zone (breed);
  • Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH): Den Haag CID/Binckhorst, Rotterdam Stadionpark en A16-zone, overige zone Verstedelijkingsalliantie Zuid-Holland;
  • Metropoolregio Eindhoven (MRE): Spoorzone Eindhoven (waaronder Eindhoven Internationale Knoop XL, Strijp S en Strijp T);
  • Stad Groningen: Suikerfabriekterrein en Eemskanaalzone.

Bovenstaande kan niet zonder investeringen in nationale en vooral ook stedelijke verkeers- en vervoersnetwerken. Deze investeringen in netwerken zijn, vanwege de hoge kosten, medebepalend voor locatiekeuze en fasering. Daarvoor gebruiken we de hier geschetste verstedelijkingsstrategie, die Rijk en regio gezamenlijk volgen.

Ook buiten deze locaties is in sommige steden/regio’s sprake van manifeste groei. Daar werken Rijk en regio samen conform deze verstedelijkingsstrategie.

Beleidskeuze 3: woningaanbod

Het woningaanbod in de regio’s sluit aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse. 

Het is van belang dat mensen die dat willen ook in de stedelijke regio’s kunnen wonen waar veel arbeidsplaatsen zijn. Als woningen worden gerealiseerd in de regio’s waar de vraag is, kan dat helpen om onnodige mobiliteit te voorkomen. De kaart ‘Woonbehoefte tot 2040’ geeft een beeld van de kwantitatieve woonbehoefte tot 2040. Daarbij zorgen we voor een woonaanbod dat aansluit op de woon­­behoefte in de regio en voldoende gedifferentieerd is in type, woonmilieu en prijsklasse (met expliciete aandacht voor het middensegment). We zorgen daartoe onder meer tijdig voor voldoende plancapaciteit. Overheden in stedelijke regio’s zorgen er gezamenlijk voor dat er woningen zijn voor alle doelgroepen (inclusief middengroepen, gezinnen en ouderen) en maken afspraken over de verdeling van de sociale woningbouw. We bevorderen de sociale samenhang door vol­doende afwisseling in woningtypen en prijsklassen, de ontwikkeling van gemengde woon/werkmilieus en een veilige, toegankelijke en aantrekkelijke, gezond ingerichte openbare ruimte.

Het Krasse Knarrenhof in Zwolle is een voorbeeld voor realisatie van bewonersprojecten die zich op zelfredzaamheid richten. (Stichting Knarrenhof)

Woondeals
Met de meest gespannen woningmarktregio’s (de metropool­regio’s Amsterdam, Rotterdam Den Haag, Utrecht, Amersfoort en Eindhoven en de stad Groningen) maakt het Rijk afspraken in de woondeals, om versnel­ling en vergroting van de bouwproductie te realiseren. Tegelijkertijd spelen vooral in deze regio’s, ook los van de groeiende bevolking, grote knelpunten op het gebied van bereikbaarheid. Voor een aantal van deze regio’s werken Rijk en regio gezamenlijk aan verstedelijkings­strategieën waar integrale keuzes worden gemaakt op het gebied van (onder meer) wonen, werken en mobiliteit.

Toelichting beleidskeuze 3

Beleidskeuze 4: stad en groengebieden

De verstedelijking gebeurt geconcentreerd en de grote open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden hun openheid. De groengebieden in de stad en aan de stadsranden nemen in omvang en aantal toe, hebben een goede kwaliteit en dragen bij aan de gezondheid van de bevolking en een hoge leefomgevingskwaliteit.

De Nederlandse stedelijke regio’s vormen op nationale schaal een polycentrisch netwerk van door open ruimten gescheiden, maar goed verbonden stedelijke regio’s. Om de toegang tot groen en natuur voor de stedelingen te behouden, is het van belang dat de basisvorm van deze structuur en de open ruimten in het netwerk, zoals het Groene Hart, behouden blijven. Goede verbindingen tussen de stedelijke regio’s zijn daarbij nodig om de kracht van het netwerk als geheel te benutten.

Extra aandacht is nodig voor de randen van het stedelijk gebied. Hier is vaak sprake van wisselende ruimtelijke kwaliteit. Op sommige plekken is er een mooie overgang tussen woongebieden en een groen stedelijk uitloopgebied. Op andere plekken is verrommeling zichtbaar en is een sterke kwali­teits­verbetering gewenst. Stadsranden en het ommeland zijn gebieden waar we zorgvuldiger met onze ruimte moeten omgaan, in afstemming met de wensen van bewoners en gebruikers. Het behoud van bestaan­de of ontwikkelen van nieuwe functies kan voor bewoners waarde toevoegen aan de omgeving (ruimte voor bewegen, recreatie, natuurinclusieve stad met doorlopende groen­structuren, ecologische verbindingszones, klimaatbuffers en dergelijke). Daarmee kan zowel de kwaliteit van de stad als die van het ommeland worden versterkt.

Toelichting beleidskeuze 4

Beleidskeuze 5: klimaatbestendig  

Steden en regio’s worden klimaatbestendig ontwikkeld. 

Toekomstscenario’s geven aan dat door de klimaatverandering extreme weersomstandigheden steeds vaker zul­len voorkomen met slachtoffers (met name door hittestress) en veel schade (>€70 miljard tot 2050) als mogelijk gevolg. De effecten van klimaatverandering moeten daarom worden verkleind of tenminste beheersbaar blijven. Veel klimaat­risico’s zullen zich pas later in deze eeuw manifesteren, maar ook nu komen extremere weertypen al vaker voor. Naast (middel)­langetermijn aanpassingen zijn er daarom ook al op kortere termijn maatregelen nodig in stedelijk gebied.

Klimaatadaptatie dient onderdeel te zijn van ruimtelijke ingrepen en investeringen die vanwege andere ontwikkelingen en grote transities gedaan moeten worden. Op dit moment is dat nog niet vanzelf­sprekend. Compacte verstedelijking in combinatie met voorbereiding op de gevolgen van klimaat­verandering vragen om een doordachte en afgewogen invulling van het openbare en private ruimte­gebruik. Een afgewogen locatiekeuze dient te worden gemaakt voor nieuwe (woningbouw en infrastructurele) ruimtelijke plannen. Bij de invulling van de grote bouwopgave in Nederland is het belangrijk dat andere opgaven worden meegenomen. Ongunstige locaties voor waterhuishouding of bodemdaling moeten worden vermeden (diepe polders, slappe grond, verdroging, zoute kwel) of het effect moet worden gemitigeerd. Nieuwe ontwikkelingen achter de dijken en duinen worden zoveel mogelijk uitgevoerd op een wijze dat de overstromingsrisico's niet toenemen. Hierbij speelt vergroening een belangrijke rol.

Ook het stedelijk gebied kan bijdragen aan doelen op het gebied van klimaatadaptatie en gezondheid. In beeld het Raadhuisplein in Emmen met veel ruimte voor groen en water. (Gemeente Emmen)

Vanaf 2020 dienen overheden besluiten over de ontwik­keling en inrichting van het stedelijk gebied te toetsen op de gevolgen voor de klimaat­bestendigheid. Steden voeren iedere zes jaar een stresstest uit waarmee de risico’s en gevolgen op het gebied van hitte, droogte en water(overlast) in kaart worden gebracht. De eerste stresstest moet in 2020 hebben plaatsgevonden. Op basis van de resultaten kunnen keuzes worden gemaakt wat betreft locaties voor ruimtelijke ontwikkelingen, maar ook waar extra maatregelen noodzakelijk zijn in de bestaande bebouwde omgeving. De gehele gebouwde omgeving dient in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig ingericht te zijn.

Ontwerpstudie ‘Regio van de Toekomst: Zuid-Houtland’
Een huis bouwen kost veel energie en grondstoffen. We gaan komende tijd in de Randstad veel nieuwe huizen bouwen. Ook willen we een omschakeling maken naar een CO2-neutrale en circulaire economie en landbouwproductie en natuur meer integreren. Wat als we dat nou eens allemaal combineren, dat vraagt de NOVI toch? Kan dat dan ook in Zuid-Holland, de meest dichtbevolkte provincie van Nederland?
Team Zuid-Houtland van NOVI-project Regio van de Toekomst [1] ging ontwerpen en rekenen en kwam met een verrassend antwoord: bouw in hout! In plaats van CO2 produceren door fabricage van beton, bouw je met hout en sla je zo juist CO2 op in je huis. De introductie van hout maakt ook de bouwstroom efficiënter. Het hout kan worden verbouwd in deels nieuw aan te leggen bossen, in de minst gewaardeerde delen van de veenweiden, waar de oxidatieproblematiek hoog is. Zo ontstaan daar ook nog eens meer recreatiemogelijkheden en nieuwe woonlandschappen.
De provincie Zuid-Holland is enthousiast over het concept en gaat erover in gesprek met gemeenten, bouwers, ontwikkelaars en partijen zoals Staatsbosbeheer.



Beleidskeuze 6: mobiliteitssysteem 

Het mobiliteitssysteem (voor zowel personen als goederen) in, rondom en tussen de steden levert een goede bereikbaarheid. We zorgen dat modaliteiten onderling zijn verknoopt en worden benut op hun specifieke kwaliteiten. Het stedelijk mobiliteitssysteem draagt bij aan een gezonde leefomgeving en een gezonde leefstijl.

Mobiliteit is een onmisbaar onderdeel van de stedelijke ontwikkeling. Bouwen zonder goed na te denken over de locatie en mobiliteitsoplossingen kan grote nadelige effecten hebben voor de bereikbaarheid van stad en regio. Nieuwe woon- en werkgebieden zorgen, zeker bij gebrek aan alternatieve vervoerwijzen, al snel voor veel autoverplaatsingen op reeds drukke wegen. Keuzes over de ontwik­keling van woonlocaties en werklocaties en mobiliteit moeten daarom strategisch op elkaar worden afgestemd. Daarbij doen we recht aan de verhouding tussen collectief en individueel vervoer voor zowel korte als langere afstanden. Alleen met een samenhangende multimodale benadering voor gebieden zorgen we dat deze bereikbaar en leefbaar blijven.

Verdichting rond stations maakt vergroten van het OV-aanbod mogelijk. (Gemeente Breda)

Ander mobiliteitsgedrag
In groeiende stedelijke gebieden neemt de druk op het mobiliteitssysteem toe. In compacte steden kunnen mensen zich gemakkelijker en efficiënter verplaatsen met de fiets, te voet en met het open­baar vervoer. Dat leidt tot minder ruimtebeslag, minder CO2-uitstoot en energieverbruik, een betere luchtkwaliteit, minder geluidsoverlast en een betere gezondheid. Het mobiliteitssysteem dient dit mobiliteitsgedrag te stimuleren. We richten het mobiliteitssysteem in en rondom de steden daartoe meer geïntegreerd en duurzaam in, waarbij modaliteiten op hun specifieke kwaliteiten worden benut.

Met de rode loper in Amsterdam wordt er meer ruimte voor voetgangers gecreëerd. (Gemeente Amsterdam)

Systeemsprong in OV-systeem
In groeiende stedelijke regio’s met een hoge dichtheid is naast het efficiënter benutten van het bestaande netwerk een sys­teem­­sprong in het stedelijk OV-sys­teem nodig om verdere verdichting en verduurzaming van de mobiliteit mogelijk te maken. Die hoge dichtheid maakt efficiënt, hoogwaardig OV mogelijk en het hoogwaardige OV maakt een compacte ontwikkeling mogelijk. In het Toekomstbeeld OV 2040 [2] worden drie pijlers voor de verdere ontwik­keling van het openbaar vervoer geschetst, die deels hieraan gerelateerd zijn, met vooral de focus op de kracht van het OV en de drempelloze reis.

Smart mobility
De auto is en blijft vooral buiten de stedelijke regio’s en voor delen van de stedelijke regio’s het belangrijkste ver­voer­middel. Dit vergt allereerst instandhouding van de kwaliteit van het bestaande netwerk en een goede inpassing daarvan. De ruimte voor uitbreiding van het netwerk is echter zowel fysiek als financieel beperkt. Met benuttingsmogelijkheden en smart mobility-oplossingen kan de capaciteit van het huidige netwerk beter worden benut. Waar noodzakelijk wordt de infrastructuur uitgebreid. Er komt veel verkeer over de weg de stedelijke regio’s in. Meer overstap- of overslagmogelijkheden kunnen gecreëerd worden door bestaande infrastructuur aan te passen

Vervoerhubs
Om tot een goede integratie van het vervoerssysteem te komen en de reizigers een gebruiks­vriende­lijke overstap te bieden, moeten de vervoersmodaliteiten op strategische plekken aan de rand van de stad of de regio aan elkaar worden gekoppeld. Overheden reser­veren ruimte voor (de ontwik­keling van) hubs aan de randen van de stad of de regio en zetten zich gezamenlijk in om de vervoers­systemen te integreren en deze knoop­punten te ontwikkelen. De opgave is om daarvan behalve efficiënte overstapmachines ook aantrekkelijke bestemmingen te maken. Dit scheelt, met de juiste programmering, veel mobiliteit en overstappen. Voor de grootste stedelijke regio’s is dit onderdeel van de bereikbaarheidsprogramma’s die worden opge­steld.

Vervoersmodaliteiten worden op strategische plekken met elkaar verknoopt. Beeld: NS Station Sassenheim met een groot gratis parkeerterrein en goede verbinding met de bus, auto en fiets. (Tineke Dijkstra)

Ook voor de stedelijke distributie zullen overheden ruimte moeten reserveren aan de rand van de stad voor overslag. Maat­schap­pelijke partijen werken aan invoering van een stedelijk distributiesysteem, waarmee vanaf 2025 de stadskernen van de 30 tot 40 grootste gemeenten emissievrij worden bevoorraad.

Binnen groeiende stedelijke gebieden zal structureel meer geïnvesteerd moeten worden in stede­lijke bereikbaarheid. Tegelijk moet ook de kwaliteit van verbindingen tussen de stedelijke regio’s verbeterd worden en waar nodig uitgebreid. Beide zijn gezien de grote woningbouwopgave en de groei van steden noodzakelijk.

Bereikbaarheidsprogramma’s
Gemeenten, provincies, waterschappen en Rijk zullen gebiedsgericht afwegingen moeten maken. Binnen die afweging dienen de gevolgen voor het mobiliteitssysteem en de in verband daarmee te treffen maatregelen expliciet in de ruimtelijke besluitvorming te worden betrokken. Dit gebeurt nu bijvoorbeeld al in de Bereikbaarheidsprogramma’s voor Metropoolregio Amsterdam (MRA), Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) en Metropoolregio Utrecht (MRU).

Toelichting beleidskeuze 6

Beleidskeuze 7: bevolkingsdaling 

In gebieden met bevolkingsdaling versterken we de vitaliteit en leefbaarheid.

Ondanks dat Nederland als geheel groeit, heeft een aantal delen van het land te maken met bevolkingsdaling. Naast een sterfteoverschot komt dit door het wegtrekken van met name goed opgeleide, vaak jonge mensen, naar grotere steden. De keuze van deze jongeren voor betere (economische) ontplooiingsmogelijkheden kan en moet niet worden tegengegaan. Het Rijk zet zich daarom met de decentrale overheden in om op andere wijze de vitaliteit en leefbaarheid in gebieden met bevolkingsdaling te versterken. De inzet richt zich op het ontwikkelen of versterken van regionaal economische toekomstperspectieven en een toegesneden instrumentarium met ruimte voor innovatie en experimenten. Daarbij wordt ook gekeken naar de bereikbaarheid van en binnen deze gebieden.

Opgaven die in krimp- en anticipeergebieden spelen zijn veelal dezelfde als in andere regio’s - denk aan het versterken van de regionale economie, bereikbaarheid en toekomstbestendig wonen - maar vragen door de demografische context om een andere, vaak regio- of locatie-specifieke aanpak en een nieuw handelingsperspectief. Denk bijvoorbeeld aan het vergroten van het aantal bezoekers in plaats van het aantrekken van nieuwe inwoners.

In een gezamenlijke aanpak van overheden, maatschappelijke organisaties, ondernemers en bewoners wordt een (economisch) toekomstperspectief geformuleerd dat inspeelt op de kansen voor de regio vanuit de specifieke regionale kwaliteiten en de beschikbare ruimte voor nieuwe ontwikkelingen en opgaven.

Daarbij staan in deze regio’s voorzieningen als zorg, onderwijs en openbaar vervoer wel onder druk. De regelgeving moet voldoende ruimte bieden om verschillende voorzieningen te combineren (bijvoorbeeld onderwijs en zorg, openbaar vervoer en andere vervoersdiensten), te experimenteren (bijvoorbeeld zelfrijdende voertuigen op afroep) en maatschappelijke initiatieven te ondersteunen. De overheden passen waar nodig hun regelgeving hierop aan.

In krimpgebieden speelt enerzijds vaak een sloopopgave door een te groot totaalaanbod van woningen en is er daarnaast een tekort in het aanbod van woningen voor ouderen, jongeren en alleenstaanden. Dit wordt niet door de markt opgepakt door een gebrek aan rendement. Instelling van een fonds voor herstructurering door samenwerkende gemeenten, kan de noodzakelijke sanering van overtollige woningen ondersteunen.

Veel krimpregio’s zijn ook grensregio’s. Er zijn dan nieuwe constructies nodig om de potentie van regio’s ten volle te benutten. Grensoverschrijdende samenwerking en verbinding met onze buurlanden kunnen de sociaaleconomische situatie aan beide zijden van de grens verbeteren.

Toelichting beleidskeuze 7

Wilt u meer informatie over de kansen en risico's uit de millieueffectenrapportage over deze prioriteit? Lees hier verder in de digitale PlanMER.

Kaarten bij 'Sterke en gezonde steden en regio's'
 

 

[1] De blauwe kamer i.o.v. BNSP en NVTL, Regio van de Toekomst: Schetsen voor de Nationale Omgevingsvisie, 2019.
[2] Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Contouren Toekomstbeeld OV 2040, TK 2018/2019, 23645, nr. 685, Den Haag 2019.